ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Rome / Slavenmarkt

Open / Sluit fotoboek


Rome  / Slavenmarkt

Rome van de slavenmarkt

 

Op de slavenmarkt te Rome vonden vreselijke dingen plaats. Gezinnen werden zonder enig pardon uit elkaar gerukt . De verkoper stond achter een soort podiumpje, waarop de slaaf stond. De eventuele koper  stond er  taxerend voor.

In het Circus Maximus werd jaren lang een slavenmarkt gehouden. Als er jaren lang vrede was, gingen de zaken voor de slavenhandelaren slecht, want er waren weinig krijgsgevangenen die als slaven verkocht konden worden.

 

 

Wie biedt er meer ?

 “Wie biedt meer dan 600 denariï per stuk, voor deze meisjes uit Kos, charmant als Griekse godinnen ?” roept een breedgeschouderde Griekse slavenhandelaar uit Delos met brede gouden armbanden om de blote bovenarmen.

Hij wijst trots naar een groepje slavinnen die op lange schragen te koop worden aangeboden.

Met witgekalkte voeten, doorpriemde oren, een certificaat om de hals als garantiebewijs en met een krans van lelies en anemonen over de blote borsten, kijken ze angstig naar enkele Romeinse patriciërs, die – in draagstoelen gezeten -  haar van top tot teen opnemen.

“U ziet dat ze voor het eerst worden aangeboden, mijne heren! Ze zijn geknipt  voor uw bad- en zalfkamers en uw massagevertrekken. Ziet u wel hoe prachtig ze gevormd zijn? En goed gevuld rond de heupen? “

“Steken jullie de handen eens uit”.

“Ziet u wel, zo glad als een gepolijste spiegel!”

700 denariï roept de een.800 denariï  roept de ander

Niemand meer dan 800 denariï per stuk?  Niemand? Dan zijn ze verkocht!

Terwijl hij het geld in ontvangst neemt, moppert  hij: ”Het is een slechte tijd voor de slavenhandel.

Er worden helaas weinig oorlogen meer gevoerd. Het aanbod van staatsslaven wordt daarom steeds geringer, omdat er zo weinig krijgsgevangenen worden buitgemaakt.

Bovendien wordt de meeste import tegenwoordig weer vrijgelaten. We moeten het nu hebben van de zeeroverij, die de bewoners van de kleine kuststeden naar Capua brengt.”

“Voor de olijfplantages en de steengroeven is nog steeds een grote vraag naar slaven, terwijl Nero altijd nog een groot tekort heeft aan gladiatoren om in de arena te vechten”, merk een van de patriciërs op.

Onésimus  kijkt met verbazing naar de levendige handel op de markt.

Negerinnen uit Afrika, zwart als ebbenhout, Iberische mannen met een krijgshaftig uiterlijk, worden uitgeladen.

Hier en daar wordt een slaaf onderhands verkocht. Sommige slaven hebben een bordje om de hals waarop hun gebreken staan.

Tweede hands goed. Overal is er het geroezemoes van stemmen van kopers en verkopers.

Doelloos slentert Onésimus over de slavenmarkt van Rome met een joodse jongen die hij op de markt tegen kwam. Nu heeft hij tenminste aanspraak.

“Bij ons volk kun je nooit langer dan 6 jaar slaaf zijn. In het zevende jaar ben je weer vrij. (Ex 21:2) Dan is het jubeljaar. Joodse meesters zijn nooit wreed tegenover hun slaven, want dat is een gruwel voor Jahwèh.”

“Er zijn hier in Rome  nogal wat Joden en Romeinen, die in een zekere Christus geloven. De volgelingen  van deze Christus gaan zelfs zo ver, dat zij helemaal geen onderscheid maken tussen slaven, omdat zij allen zijn opgenomen in een nieuwe broederschap”

Het eigendom van een Ander

De bekendste slaaf van wie sprake is in het Nieuwe Testament is Onésimus, die eerst een slaaf van Filemon was, toen vluchtte en in Rome door het contact met Paulus tot geloof is gekomen.

Er waren plaatsen waar de slavenhandel de voornaamste bron van inkomsten was.

 Met het eiland Delos was Side de grootste slavenmarkt van de oostelijke helft van het gebied rond de Middellandse Zee.

In Side vond de verkoop van slaven plaats in de arena van het theater.

 Dit theater is nog  intact. Stel je voor een onafzienbare menigte werd daar op één gedreven, want er werden meer dan 10.000 slaven per keer verkocht.

Daar speelden zich afschuwelijke tonelen af.

 Men vermoedt zelfs dat  sommige burgers er slavenkennels op na hielden waar mannen en vrouwen als fokdieren gebruikt werden.

Nu is Side een heerlijk vakantieoord.

In de tijd van Paulus waren de slaven heel duur. Dat kwam door de Pax  Romana.De lange periode van vrede joeg de prijzen van de slaven op, omdat er bijna geen overwonnen soldaten meer als slaven verkocht werden.

De rechtspositie van de slaven was heel slecht. Als een weggelopen slaaf weer gepakt was, brandde men bij hem met een gloeiend ijzer een F(Fugitivus, vluchteling) op het voorhoofd.

De heer kon hem ook naar het Pistrinum sturen, waar hij levenslang in de molen moest rondlopen.

 In de tijd van Paulus  was de slaaf volledig afhankelijk van de willekeur van zijn meester.

Er waren ook tal van goede meesters, denk b.v. aan Filemon.

Onder hen hadden de slaven zeker geen mensonwaardig bestaan.

Soms kon een slaaf vrijgekocht kon worden.

 Dan moest er een losprijs betaald worden aan oude meester. Deze transactie verliep vaak via de tempel. 

De slaaf kreeg een nieuwe meester of hij werd vrijgelaten door zijn nieuwe meester.  Aan dat beeld moeten we denken als Jezus zegt: want de Zoon des mensen  is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen. 

Paulus heeft de principiële gelijkwaardigheid van slaven en heren verkondigd. Dat was in die tijd ongehoord. Ja zelfs  revolutionair (Kol 3: 11)] schrijft de apostel immers, dat er in Christus in principe geen onderscheid meer is tussen een  slaaf en een vrije.

De heidenen beschouwden de slaven als mensen van de tweede rang.

 Dat was zelfs zo op godsdienstig gebied. Ze mochten niet deelnemen aan de officiële godsdienst.

 Alleen de cultus van de lagere veld-en natuurgoden liet men aan hen over. 

 In de kerk echter zaten heren en slaven aan dezelfde avondmaalstafel. Dat was in die tijd ongehoord!

Het is mij opgevallen dat Jezus ook spreekt van slaven.(Joh.8:34)

Ieder die de zonde doet is een slaaf der zonde. Alleen Jezus kan ons uit die slavernij verlossen. Wanneer de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult ge waarlijk vrij zijn. Wij zijn dan ons zelf niet meer meester, we zijn dan het eigendom van een Ander. 

 Volgens zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus is dat ook onze enige troost.