ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Meer van Galilea 2

Open / Sluit fotoboek


Meer van Galilea 2

 

Galilea Vissen  

zie ook Zee van Galilea

 

 Valwind - lailaps

Plotseling kan een koude valwind (lailaps) langs de berghellingen naar beneden komen.

Door de ontmoeting met de warmere luchtstroom in het diepliggende meer ontstaat er een botsing tussen die twee luchtstromen en zwiept de rukwind het water hoog op.

 

 

Vissersbootjes. In Magdala waren talloze kleine scheepswerfjes. Had Maria Magdalena (ze was welgesteld, Luc 8) misschien ook zo'n bedrijf?

Alleen bij grote temperatuurverschillen treden de onheilspellende valwinden op. Op de bewuste stormnacht (Matt. 8:23) moet het wel bijzonder onheilspellend geweest zijn.

We weten met zekerheid dat zeven van de twaalf leerlingen van Jezus visser zijn geweest met heel veel zeilervaring (Joh. 21:2).

Ze waren met z’n zevenen bij elkaar gekomen aan de oever van het meer na de opstanding van Jezus.

Na alles wat ze meegemaakt hebben kunnen ze er nog niet over uit. Als Petrus dan zegt: ‘Ik ga vissen’, zeggen zijn maats: “Wij gaan met je mee”.

De andere vijf zijn Matteüs (voor zijn roeping heette hij Levi en was hij belastingambtenaar), Jakobus de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon de Zeloot en Judas Iskariot.

In de bekende stormnacht uit Matt 8 zaten dus 13 mannen in de boot die zo groot ( of klein) was als een moderne sloep.

Was Matteüs (Levi) daar ook bij?

Als je kijkt naar Matt 9: 1 zou je denken van niet, want Matteus vertelt zijn roeping (Matt. 9) na die vreselijke stormnacht (Matt 8). Behalve Matteüs schrijven ook Marcus en Lucas over die stormnacht die niet door hen was meegemaakt en ook over de ontmoeting tussen Jezus en Levi, maar zij plaatsen dit gebeuren vóór de bewuste stormnacht.

Je krijgt bij Matteüs door zijn woordgebruik toch ook de indruk dat hij als man van het witte boord buitengewoon bang is geweest.

Hij gebruikt in zijn evangeliebeschrijving het Griekse woord seismos, dat beving of trilling betekent.

De NBG heeft vertaald met ‘grote ontstuimigheid op de zee’ en de NBV vertaalt: en de zee begon enorm te kolken.

 De leerlingen meenden dat demonische geesten achter die vreselijke storm zaten.

Vandaar dat Jezus wind en zee ‘bestrafte’ om hen gerust te stellen. Je ziet hier ook hoe hoog de bergen in Dekapolis waren  waar de zwijnen vanaf gestort zijn.(Mc 5:13)

Onvis

De evangelisten vertellen niet welke vissoorten gevangen werden.

Men vermoedt dat hieronder zich karper, brasem en baars bevonden.

 

Jezus heeft het Koninkrijk van God eens vergeleken met een sleepnet (Matt. 13:48), waarmee allerlei soorten vis werden gevangen. Toen het net vol was trok men het op de oever en ging men zitten om de goede vis in kuipen te doen.

De slechte vis werd weggegooid, liet men weer zwemmen.

Ook bij het laatste gericht zal er een scheiding worden voltrokken.

De Nederlandse visserman noemt de vis die niet geschikt is voor consumptie ‘onvis’.

Deze vis was wel gezond maar ongeschikt voor de handel.

 

Petrusvis

 

Een vis die vandaag veel verkocht wordt bij het meer wordt ‘Petrusvis’ genoemd.

.In de tijd van Jezus hadden de vissers hun eigen bedrijfjes.

Het aanschaffen van het vistuig  was nogal kostbaar.

Meestal werkte men samen in een soort coöperatie.

De vissers vormden met elkaar een groep onder leiding van een  ‘voorman’.

In Lucas 5:10 wordt gesproken van “metgezellen van Simon“(koinonoi).De NBV heeft het over een samenwerking, (coöperatie dus) van de zonen van Zebedeüs met Simon Petrus.

 Zebedeüs was niet een eenvoudige visser.

Er zijn tal van aanwijzingen dat hij behoorde tot de ‘hogere kringen’ en dat daardoor zijn zoon Johannes toegang had tot de aristocratische kringen in Jeruzalem en een bekende van de hogepriester is geworden. Tot twee keer toe lezen we dat Johannes een kennis van de hogepriester was (Joh. 18:15 en 16) Johannes noemt zijn naam niet, maar ‘de andere leerling’ is zonder twijfel Johannes geweest.

Hij wil anoniem blijven.

Bij recente opgravingen in Betsaïda is allerlei soort vistuig gevonden. Loden gewichtjes om de netten te laten zakken, vishaken en andere voorwerpen.

In principe is het mogelijk dat Petrus en Andreas, Johannes en Jacobus en Filippus die aanvankelijk in Betsaïda woonden dit vistuig nog gebruikt hebben, want na de Romeins-Joodse oorlog (65-70) is deze stad nooit meer herbouwd geworden of bewoond geweest.

Waarschijnlijk zijn Petrus, Andreas, Johannes en Jakobus, die samen een soort  coöperatie vormden (zie boven)  naar Kafarnaüm verhuisd omdat Betsaïda meer landinwaarts kwam te liggen.( zie Betsaïda ook voor enkele ruïnes van vissershuizen uit de tijd van Perus)