ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Martelaarschap

Open / Sluit fotoboek


Martelaarschap

Martelaarschap

De Spelen in Rome waren altijd bloeddorstig.Tienduzenden !  wilde dieren werden ujt Afrika gehaald om tegen gladiatoren te vecchten.Vanaf 303 klonk de roep:"christenen ad bestias" christenvervolging was een volksvermaak zie bv Rome onder Nero

Polycarpus van Smyrna (Amsterdams museum)

.

Ons woord ‘martelaar’ komt van het Griekse woord “martyr” dat getuige betekent. Een getuige van Jezus Christus werd in de vroege kerk vaak vervolgd. Getuige zijn en gefolterd worden tot de dood erop volgt waren begrippen die zo over elkaar heen schoven dat zij volkomen identiek werden.

Vandaar dat het Latijnse Westen het Griekse woord “martyr” overnam uitsluitend in de betekenis van martelaar.

Getuigen

In de Bijbel is het werkwoord “getuigen” een werkwoord uit de rechtspraak. Een getuige was iemand die opgeroepen werd in een proces. In de vroegchristelijke kerk krijgt dit woord zoals we net gezien hebben een speciale betekenis. Je kunt zeggen dat iemand als Stefanus een getuige is geweest in die tweevoudige betekenis. Hij was een Christusgetuige maar ook een martelaar.

Lucas tekent het martelaarschap van Stefanus in het verlengde van de kruisdood van Jezus. Ook Stefanus riep: “Heer, reken hun deze zonde niet toe (Hand. 7:59)”. Stefanus was niet de eerste martelaar. Ik denk dat dit Johannes de Doper geweest is. Hoe luid heeft deze Johannes niet getuigd: Jezus is het lam van God dat de zonde der wereld wegneemt. Hij had van Jezus getuigd en velen gedoopt. Hij werd martelaar en hij is onthoofd in de gevangenis van Machaerus. Paulus onderging hetzelfde lot. Hij werd onthoofd onder keizer Nero. Zie Rome onder Nero. En moeten we ook niet denken aan de apostel Johannes? Hij werd door keizer Domitianus naar het eiland Patmos verbannen, omdat hij over God had gesproken en van Jezus had getuigd (Openb. 1:9 ).

Domitianus

Deze Domitianus (86-96) staat in de christelijke traditie bekend als de tweede grote vervolger naast Nero als de eerste. Hij was een gefrustreerde en bijzonder arrogante man, die zich “heer en god” liet noemen. Tot zijn slachtoffers behoorde ook zijn eigen neef Flavius Clemens die hij liet terechtstellen. Er was een tempel voor hem gebouwd in Efeze. Daar bevond zich een levensgroot beeld van hem, dat vele Efeziërs aanbaden. Op een verborgen manier schrijft Johannes over hem waar hij schrijft over allen die “het beeld van het beest aanbidden” (Hand. 13). Domitianus wordt het beeld van allen die christenen vervolgen.

Ignatius

Ik denk ook aan bisschop Ignatius. Hij leefde in de tijd van Johannes de apostel. Hij was immers in 69 of 70 tot bisschop van Antiochië gewijd. Tijdens een felle plaatselijke christenvervolging in die stad werd de bisschop gearresteerd en onder bewaking van tien soldaten op transport gesteld naar Rome. Daar stierf hij omstreeks het jaar 100 als martelaar. Hij werd als een levende prooi voor de wilde dieren gegooid. Nu heeft deze bisschop Ignatius op zijn eindeloze tocht van Antiochië naar Rome een aantal brieven achtergelaten die hij schreef aan enkele gemeenten in Klein-Azië. Op zijn doorreis door dat gebied leefden zij intens met hem mee. Tijdens een oponthoud in Smyrna schreef hij een brief aan de gemeente te Magnesia en Rome. Vanuit Troas zond hij brieven aan de gemeenten van Filadelfia en die van Smyrna met een persoonlijk schrijven aan bisschop Polycarpus over wie ik straks wat meer zal vertellen.

Judaisme

Het valt op dat Ignatius bijzonder waarschuwt tegen de leer van het judaïsme, dat vasthoudt aan de joodse levensstijl. Hij schrijft o.a. “Laat u niet van de wijs brengen door onjuiste opvattingen en nutteloze verhalen uit de oude tijd. Immers als wij nu nog leven volgens de joodse traditie dan erkennen wij daarmee dat wij de genade niet ontvangen hebben. Want de goddelijke profeten leefden in overeenstemming met Christus Jezus. Daarom ook werden zij vervolgd. Zij die leefden in de situatie van de oude tijd hebben zich omgewend tot een nieuwe hoop. Daarom houden zij de sabbat niet meer, maar vieren de dag des Heren waarop ons leven opbloeide door hem en zijn dood.”

Polycarpus

We zagen hierboven al dat Ignatius een persoonlijke brief schreef aan zijn collega Polycarpus van Smyrna toen hij als arrestant op weg was naar Rome. Uit Openbaring 2: 8-11 blijkt dat er in Smyrna al in de tijd van Johannes ernstige moeilijkheden waren ontstaan tussen joden en christenen. Zij die zeggen dat zij joden zijn (= Godlovers) hadden kwaad van de christenen verteld. Polycarpus bezat groot gezag in de gemeenten van Klein-Azië. Tijdens zijn episcopaat brak er een ernstige vervolging uit. Ook Polycarpus werd gearresteerd en stierf in het stadion van Smyrna de marteldood. Hij was een leerling van de apostelen, zegt de traditie. Men neemt zelfs aan dat hij een zeer nauwe relatie had met de apostel Johannes. Dat kan heel goed want Polycarpus is in hetzelfde jaar geboren als Ignatius bisschop werd namelijk in het jaar 70. Polycarpus weigerde de keizer te aanbidden. Er was namelijk in Smyrna een grote tempel van de godin Roma, waarin de keizer als god werd vereerd. Het schijnt dat de joden een compromis met deze keizercultus hebben gesloten waardoor hun synagoge door de Romeinen gespaard werd. De christenen deden hier niet aan mee. Het gevolg was dat Polycarpus veroordeeld werd tot de dood op de brandstapel. Laat ik de gemeente van Smyrna zelf aan het woord laten. Dat is mogelijk omdat een jaar na de dood van Polycarpus de gemeente van Smyrna een zeer uitvoerig verslag over de martelgang van hun voorganger gezonden heeft aan een naburige gemeente. Dat verslag is bewaard gebleven. Het is één van de oudst bewaarde goed gedocumenteerde martelaarsakten. Ik lees er nu iets uit voor. 

Aangrijpend verslag

 

 

Toen Polycarpus de renbaan, waar de spelen plaatsvonden, werd binnengebracht werd hij voorgeleid voor de Romeinse gouverneur. Die stelde hem de gebruikelijke vragen. Hij deed met een beroep op zijn hoge leeftijd een dringend verzoek zijn geloof te verloochenen. Daar dit geen resultaat had, zei hij: ”Zweer bij het geluk van de keizer, kom tot inkeer en zeg: “weg met de atheïsten””.

Maar Polycarpus keek met een ernstig gezicht naar de in de renbaan samengepakte menigte, stak zijn hand naar hen uit, zuchtte diep en riep, terwijl hij opzag naar de hemel: “weg met de atheïsten”.

De gouverneur drong aan en zei: “zweer en ik zal u laten gaan. Als u maar een puntje wierook offert en zegt: “De keizer is Heer, maar vervloekt Christus en ik laat u vrij””. Polycarpus antwoordde:

“Zesentachtig jaar ben ik zijn dienaar en Hij heeft mij geen kwaad gedaan. Hoe kan ik mijn koning lasteren die mij gered heeft?” Als een hernieuwde poging, om de bisschop tot afval te bewegen, afstuit op diens simpele verklaring: ”Ik ben een christen”, gaat de gouverneur dreigen, eerst met de wilde beesten, als dat niet uitwerkt met de brandstapel. Maar Polycarpus antwoordt: ”U dreigt met vuur dat slechts één uur brandt, en dan weer uitdooft. Want u hebt geen weet van het toekomstig oordeel en het vuur van de eeuwige straf die de goddelozen te wachten staat. Doe met mij wat u wilt.” Daarna zond de gouverneur zijn heraut naar het midden van de renbaan om driemaal om te roepen: ”Polycarpus heeft bekend dat hij een christen is”. Nadat de heraut dit gezegd had, schreeuwde de hele mensenmassa, heidenen zowel als joden die in Smyrna woonden, in onbeheerste woede: “hij is de leraar van Klein-Azië, de vader van de christenen: hij is het die onze goden neerhaalt en veel mensen leert hen niet met offers te vereren”. Luid schreeuwend vroegen zij daarop aan de organisator van de spelen, een zekere Filippus, om de leeuwen op Polycarpus los te laten. Filippus zei dat hij dit niet kon doen omdat de gevechten met de wilde dieren afgelopen waren. Toen begonnen zij als één man te schreeuwen dat Polycarpus verbrand moest worden. Sneller dan men vertellen kan, gebeurde dit. Onmiddellijk haalde men uit de werkplaatsen en badinrichtingen hout en takkenbossen, waarbij zoals gewoonlijk, de joden zich het meest uitsloofden. Zo stierf Polycarpus op de brandstapel.

Tot zover het verslag van de gemeente te Smyrna.

Wat ons hier opvalt is dat:

a)     De rechtspraak en vervolging plaats vindt in het stadion waar de spelen gehouden worden en dus veel volk aanwezig is;

b)     Vaak vindt de confrontatie ook plaats in een amfitheater en dus niet in een gerechtsgebouw;

c)      De op sensatie beluste menigte niet in staat is een objectief oordeel te geven;

d)     De joden een bijzondere rol gespeeld hebben in deze vervolging hetgeen aansluit bij wat we lezen in Openb. 2:9. In de tijd van Johannes leden de christenen in Smyrna dus al onder de lastercampagne van de Joden;

e)     Polycarpus moet zweren bij het geluk van de keizer. De keizer had dus toen al een aureool van goddelijkheid om zich heen;

f)      De christelijke religie door de gouverneur een atheïstische religie genoemd wordt, omdat de christenen niet aan de Romeinse goden offeren.

g)     De gouverneur zelf schijnt te beslissen, maar ondertussen blijkt dat het massale geschreeuw van de gewone man, doorslaggevend is.

WAAROM WERDEN DE CHRISTENEN VERVOLGD

Waarom werden christenen vervolgd? De oorzaak ligt niet alleen bij de staat maar ook bij de gewone man. De christenen werden mensen van de ‘derde soort” genoemd. Eersterangs lieden waren de Romeinen en misschien ook nog wel de Grieken, tot de tweede categorie behoren de joden en dan komen als derde soort de christenen. Zij werden in de eerste eeuwen door velen beschouwd als “vijanden van het menselijk geslacht”. Zij deden onder andere niet mee aan de wilde gildefeesten, bezochten de voorstellingen niet in het theater. Ik denk dat dezelfde achtergrond hier een rol speelt als bij de vervolging van de joden.

   

Christenen waren anders

Wat was namelijk het geval bij die christenen? Ze waren net als de joden exclusief, deden niet overal aan mee, ze meden de grote gildefeesten met hun uitspattingen. Zij deden anders, leefden anders, dachten anders, spraken anders. Kortom: zij stelden zich op buiten de traditionele leefpatronen. Dat wekte irritatie op. Men had gehoord over hun heilige maaltijden waar altijd gesproken werd van bloed, en zo ging men denken dat de christenen zich schuldig maakten aan bloedschande en kannibalisme. De christenen waren ook atheïsten. Zij erkende de vele Romeinse en Griekse goden niet. Daarom kregen ze overals de schuld van. Tertullianus schreef: ”Als de Tiber buiten zijn oevers treedt en de stad bedreigt, als de Nijl niet buiten zijn oevers treedt, zodat het bouwland uitdroogt, als er hongersnood heerst of de pest, dan wordt er onmiddellijk geroepen: “de christenen voor de leeuwen.” Toch heeft het lidmaatschap van de Kerk een enorme aantrekkingskracht gehad gezien de grote uitbreiding van de gemeenten in de eerste drie eeuwen. Tal van heidenen, ook geleerde heidenen, gingen over tot het christelijk geloof.

Prediking en hulpbetoon

Hoe moeten we dit verklaren? De belangrijkste factor is wel de prediking van liefde en hulpbetoon geweest. Dat heeft in de wereld van toen met haar rampen, oorlogen en epidemieën grote indruk gemaakt. Velen wilden ook graag lid worden wan zo’n gemeenschap waarin men voor elkaar zorgde en waarin men helemaal geaccepteerd werd.