ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Jeruzalems Verwoesting

Open / Sluit fotoboek


Jeruzalems Verwoesting

 

 

 De Romeinse legionairs  hebben bij de belegering van Jeruzalem in wijde omtrek alles met de grond gelijk gemaakt. De Olijfberg werd een reusachtig legerkamp. De veldheren adviseerden de afsluiting van de stad zo effectief mogelijk te maken. Voor de bouw van wallen en verschansingenwas veel hout nodig. Alle bomen van de landerijen die rondom de stad waren gelegen, werden daarom gekapt. Deze rigoureuze maatregel had niet alleen betrekking op de terreinen die in het schootsveld van de slingerwerktuigen lagen onder de stadsmuur. De bomen werden nog gekapt en gerooid op een afstand van negentig stadiën. Dat is zeventien kilometer van Jeruzalem. De Olijfberg bood een troosteloze aanblik, vertelt Flavius Josefus, die het beleg meemaakte. Het gehele gebied was een verlaten landschap geworden. Door de oorlog was alle vroegere luister verdwenen. Van de olijfbomen en vijgenbomen was niets meer over.

 

Van onze correspondent Reinier van den Berg

 De tempel brandt!!

 

De tempel brandt! De tempel brandt! gillen de Levieten.

Voorjaar 70. Enkele dagen geleden heeft Titus de aanval op Jeruzalem ingezet. Overal om de stad heen zijn de zware muurbrekers en stormrammen in stelling gebracht.

Vanaf Emmaüs ten noordwesten van Jeruzalem  tot   aan Jericho ten oosten van de stad hebben de Romeinse legioenen zich in slagorde opgesteld. Bij de schansen en  de schutdaken heerst grote bedrijvigheid. De slingerwerktuigen worden naar de muren gesleept. De hele stad is omsingeld. [1]

Ondanks het beleg gaat de tempeldienst dagelijks door. De westenwind drijft de geur van wierook en brandoffers vanaf het tempelplein over de oostelijke muur het Kedrondal in.

 Het heldere en doordringende geluid van het stoten op de ramshoorn golft over de Romeinse legerplaats. Alle wegen naar  de heilige stad zijn onder controle van de legers van Vespasianus en zijn zoon Titus.  

 De soldaten die in de winter van 69-70 in hun kwartieren hebben uitgerust, zijn vol strijdlust om de koppige Joden hun superioriteit te laten zien.

Toen in de zomer van 68 het bericht van Nero's dood het hoofdkwartier van Vespasianus bereikte, werd de opmars tegen Jeruzalem voor ruim een jaar gestaakt. 

 

Vespasianus komt terug

 Maar nu Vespasianus door de legioenen tot alleenheerser is uitgeroepen en de winterregens zijn opgehouden, wordt de strijd tegen Jeruzalem in volle hevigheid hervat.

Het gehele Joodse land is reeds in handen van de Romeinen met uitzondering van enkele forten bij de Dode Zee, zoals de hooggelegen bergvesting Massada.

Vanuit zijn verblijfplaats in het Romeinse legerkamp ziet Flavius Josefus  dat de Olijfberg – eens zo rijk aan olijfbomen -  een trieste en troosteloze heuvel is geworden.

 Zo ver het oog reikt zijn alle bomen gekapt. Op de hellingen van de Olijfberg heeft het tiende legioen zijn stellingen ingenomen.

 

Reusachtig groot legerkamp

 

Het gehele gebied is één  reusachtig groot legerkamp met tal van rechthoekige tenten die voor de Romeinse legioenen zo kenmerkend zijn. [2] Het gehele gebied is met de grond gelijk gemaakt. [3] Josefus is blij dat hij naar de Romeinen is overgelopen. 

 

Josephus

 

Hij kan nu ongestoord zijn aantekeningen maken voor zijn memoires van de Joodse oorlog die hij bezig is te  schrijven. Vespasianus heeft hem alle medewerking toegezegd.

Abrupt stapt hij  nu op uit zijn gepeins en begeeft zich met een soldaat naar de tent van Titus.  Hij zet zich neer onder het vuurrode baldakijn  dat voor de grote tent van de veldheer met schuin staande speerschachten wordt opgehouden. Als Titus verschijnt salueert de soldaat  door de schacht van zijn speer aan het voorhoofd te brengen.

"Probeer voor de laatste keer nog eens de Joden op de muur te overreden hun verzet op te geven, Josefus" is de eerste reactie van Titus als Josefus in de tentopening verschijnt.

Als Josefus even later bij de muur verschijnt wordt hij door zijn volksgenoten met hoongelach begroet.

Begin augustus wordt de stad eindelijk ingenomen na bloedige verliezen aan beide zijden. De soldaten dringen de stad binnen en de strijd om het tempelcomplex wordt ingezet.

 

Fakkel

 

Op 19 augustus slingert één van de legioensoldaten een brandende fakkel in de vertrekken rondom het Heilige der heiligen, die onmiddellijk vlam vatten. Na enige tijd begint het lood  van de dakbedekking te smelten door de hitte die het brandende cederhout van de voorportalen ontwikkelt.

 Met luid geraas storten de zuilen en de bogengaanderijen even later in en grote brokken steen vallen op de schatkamer en de offerkisten bij het plein van de voorhof der vrouwen waar Jezus veertig jaar geleden zo'n duidelijk getuigenis over zichzelf heeft gegeven. [4]

Als brandende fakkels rennen enkele priesters uit het heilige. Soldaten banen zich een weg over duizenden lijken. "De tempel brandt! De tempel brandt! gillen enkele Levieten.  De Joden slagen er niet in de brand te blussen. 

Na enige tijd is de eens zo schitterende tempel van Herodes een zwartgeblakerde puinhoop. Slechts de gouden kandelaren en de tafel der toonbroden kunnen uit de vuurzee gered worden.[5]  Plunderend trekken de soldaten door de nauwe straatjes van Jeruzalem.

Vrouwen worden verkracht en jonge meisjes als slavin meegenomen. Via de platte daken vluchten de bewoners de stad uit[6]. 

Ook op het platteland zijn de Joden niet veilig en weldra vullen onafzienbare rijen vluchtelingen de smalle wegen om in de bergen een veilig onderkomen te vinden. [7]

Titus geeft opdracht de gehele stad met de grond gelijk te maken[8].  Slechts een gedeelte van de westelijke muur, drie torens van het paleis van Herodes en een aantal huizen in het zuidwesten van de stad worden gespaard. 

Terwijl het tiende legioen achterblijft om de stad te bewaken, trekt   Titus naar het noorden om in Caesarea Filippi met Herodes Agrippa II  en Berenice de overwinning te vieren. [9]

Alleen de vesting Massada bij de dode Zee is nog in Joodse handen.  Jeruzalem is verwoest, de tempeldiensten zijn ten einde en het joodse volk is verbijsterd.

Sinds de tempel is verwoest, heeft de Thora de centrale plaats van de offerdienst overgenomen Het jodendom werd een Wetsgemeenschap.

 Voor Ezra en Nehmia was de offerdienst in de tempel nog het centrum  van  de eredienst. Na de verwoesting waren ook de Sadduceeën verdwenen.


[1] Jezus heeft dit in gedachten  al zien aankomen.  Hij heeft er om gehuild.  Want er zullen dagen over u komen waarin uw vijanden een bolwerk tegen u zullen opwerpen en u omsingelen (Luc 19:43).

[2] Je leest er gemakkelijk over heen, maar Johannes schrijft Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem  gelegen, Joh.  11:18.

[3] In Joh. 18:1 lezen we: daar was een boomgaard, die Hij met zijn discipelen binnenging.  Met andere woorden , die is er nu niet meer .  Alles is verwoest. Johannes schreef ná het jaar 70! Dit in tegenstelling tot Joh.  5:2 waar we lezen: nu is er te Jeruzalem een bad dat Bethesda  heet.

[4] Joh. 8: 19 en 20

[5] Op de reliëfs van de zogenoemde Boog van Titus in Rome zie je nog afbeeldingen van de tempelschatten: de trompetten,de tafel der toonbroden en de zevenarmige kandelaar.

[6] Matth. 24:17

[7] Matth.  24:16

[8] Voorwaar, voorwaar Ik zeg u ,er zal hier geen steen op de ander gelaten worden (Matth. 24:2)

[9] Agrippa II is een achterkleinzoon van Herodes de Grote die de tempel voor de Joden heeft laten bouwen.

Hij was opgevoed bij de wet en de profeten.  (Hand. 25:27) Paulus is ook met deze Herodes Agrippa geconfronteerd.

 Als de apostel tegenover Agrippa  zegt dat de Christus zou lijden en dat Hij  als eerste uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen, is zijn reactie  U sp