ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Gelijkenissen en archeologie

Open / Sluit fotoboek


Gelijkenissen en archeologie

Gelijkenissen / archeologie

Het Christusbeeld boven op de berg Corcovado in Rio de Janeiro in Brazilie. Hij staat, dat wil zeggen. Hij roept luid. Hij strekt zijn handen uit, dat wil zeggen ook jij ben heel hartelijk welkom.Het is onlangs geheel gerestaureerd. Twee miljoen mensen bezoeken elk jaar het beeld. Het heet geen Jezusbeeld, maar Christus beeld. Hij is het persoonsgeheimenis van de mens geworden God.

Het net voltooide Christusbeeld in het Poolse Swiebodzin. Er is vijf jaar aan gewerkt. Met 51 meter is het het grootste ter wereld. Hier  is een kraan bezig met de afwerking. Je kunt de gelijkenissen  van Jezus in een zin samenvatten: Komt allen tot mij, die vermoeid en belast bent en Ik zal u rust geven  Hij vertegenwoordigt God de Vader in de gelijkenis van de verloren zoon. Hij is de schat in de akker. Hij is ook de hemelse bruidegom.

 

 

 

Toen Herodes Jezus zag was hij zeer verheugd.Hij ondervroeg Hem met vele woorden, maar Hij antwoordde hem niets.(Luc.23:8)

In alle 41 gelijkenissen die Jezus heeft verteld, gaat het om het Koninkrijk of koningschap(Grieks basileia) van God dat in Jezus is gekomen. Jezus antwoordt Herodes Antipas niets, want zijn basileia is van een totaal andere orde dan het  Rijk van God. Jezus heeft de lijn vanJohannes de Doper doorgetrokken: Bekeert u want het koninkrijk Gods is gekomen. Johannes wees naar Jezus. Jezus wijst naar zichzelf!

Jezus voor Herodes zAntipas. De basileia die Jezus in zijn gelijkenis verkondigde wat totaal anders dan de basileia van Herodes.

 

 

Galilea Akaba

De gelijkenissen van Jezus zijn zo ongelooflijk suggestief en zo van-zelf-sprekend, dat zij  niet alleen  belangrijk zijn voor het  begrijpen van Jezus’ verkondiging, maar dat zij ook sterker dan archeologische opgravingen en intensiever dan historische leerboeken ons een beeld van geven van Jezus’ omgeving.  In zijn gelijkenissen heeft Jezus het steeds over het Koninkrijk der hemelen of het koninkrijk Gods. Het gaat hier om de Griekse naam Basileia, dat zowel koninkrijk als koningschap betekent. Het gaat daarbij om het Koninschap van God dat in Jezus Christus concrete gestalte krijgt.

Galilea was het voornaamste werkgebied van Jezus

Het Rijk is niet plaatsgebonden

De archeoloog vraagt: aan welke plaats was Jezus verbonden, waar woonde Hij permanent? Hij zal dan denken aan de uitdrukkingen als Jezus de Nazarener en Jezus de Galileeër. Laten we eens luisteren naar wat Jezus zelf zegt :“De vossen hebben holen  en de vogels des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen” (Matt. 8:20).Dat verheldert de levensstijl van hen die behoren tot genoemde Basileia.  Jezus werkzaamheid is niet aan een bepaalde plaats gebonden. Hij is immers de Koning van die Basileia!! Allen die die  koning volgen zijn ook niet meer gebonden aan een bepaalde plaats, ze worden zwervers, ze moeten allerlei levensverbanden waarin zij leven, loslaten. Alles blijft niet meer bij het oude. Onze honkvaste en hokvaste ideeën moeten we loslaten. Dat moest die ene Schriftgeleerde weten die Jezus wilde volgen. Jezus volgen doe je niet zomaar. Dat deden de mensen niet in Kafarnaüm, noch in Chorazin, noch in Betsaïda. Daarom gaan de namen van die plaatsen in de prediking van Jezus mee resoneren als een waarschuwing. Het zijn geen interessante toeristische plaatsen meer. Genoemde plaatsen worden getroffen door  het rapierscherpe oordeel van Jezus.

Symbolische plaatsen

  In Luc. 4: 16-30 staan zelfs Nazaret en Jeruzalem als symbolische plaatsen vermeld die Jezus afwijzen. Daar wordt Hij als koning van de Basileia verworpen. Waarschijnlijk behield Kafarnaüm de centrale plaats binnen de synoptische evangeliën vanwege het feit dat Petrus daar woonde. Kana heeft een totaal andere klank. Het is in Joh. 2 de plaats waar de discipelen in Jezus gaan geloven. Daar heeft Jezus zijn koningschap gedemonstreerd. Daar verrichtte hij het eerste teken van zijn Basileia! De Koning van het Godsrijk is de Bruidegom zelf. En zij die behoren tot de nauwe kring van zijn volgelingen, moeten net als Jezus zelf, hun plaatsgebondenheid opgeven. Ze zijn nu immers burgers van het Godsrijk! Grenzen vallen weg. Het Godrijk is gekomen en is ook komende. En dat lees je bijvoorbeeld in Marc.3:7. Duizenden komen naar Jezus toe; uit het Overjordaanse, uit Idumea,en zelfs uit de streken van Tyrus en Sidon. Die Bijbelse plaatsen hebben dan niet meer een louter archeologische of geografische betekenis, nee, zij krijgen een symbolische betekenis. Door naar Fenicië en Decapolis te gaan markeert Jezus al voorlopig de grenzen waarbinnen het Godsrijk komt.

Bekering nodig

Jezus knoopt aan bij de prediking van Johannes de Doper.Net als hij  vertoeft Hij in de woestijn en verkondigt Hij dat de komst van het Godsrijk persoonlijke bekering veronderstelt. Daarom komt Jezus ook in een onmiddellijke confrontatie met Herodes Antipas. Het Romeinse rijk dat hij vertegenwoordigt staat haaks op het Godsrijk. De Basileia van Jezus heeft niets van dat rijk te duchten. Als de leerlingen van Jezus naar Hem toekomen en Hem waarschuwen: “Maak dat u wegkomt, want Herodes wil u doden” antwoordt Jezus: Zeg die vos:Ik drijf boze geesten uit en volbreng genezingen. Wij Nederlanders vinden de vos een beeld van sluwheid. (Reintje de vos).In het oosten is het dier ook symbool van onderdanigheid, slaafsheid en betekenisloosheid. Jezus wil zeggen. Tegenover de doorbraak van het Godsrijk is Antipas machteloos. De echte vijand van het Godsrijk is satan. Herodes Antipas is daartegenover slechts een onbetekenend vosje.

Vaste grond

 

Wie zich met de 41 gelijkenissen zoals die zijn overgeleverd in de eerste drie evangeliën (synoptische evangeliën) bezighoudt, staat op vaste historische grond. Ze vertellen veel over de omgeving van Jezus. De gelijkenissen vormen de Urgestein voor het verstaan van Jezus’ boodschap als  ook voor het begrijpen van zijn omgevingHet zwaartepunt van het leven en werken van Jezus lag in Galilea. En zijn publiek was hoofdzakelijk galilees en de rijkdom aan beelden had zijn oorsprong in de galilese levenswereld van Jezus. Rabbijnen uit Jeruzalem noemden Hem met een zekere verachting in hun stem Jezus de Galileeër. Meestal realiseren we ons bovengenoemd verschil niet en maken we geen onderscheid tussen de wereld in Galilea en de wereld van het Nabije Oosten. Laat ik enkele voorbeelden noemen. De vangtechniek van vissen was in de leefwereld van Jezus heel anders dan in de Middellandse zee. Daar gebruikten de vissers geen vangnet of sleepnet. De omgeving bepaalt ook Jezus’ onderricht. De vorm waarin Jezus’ boodschap is overgedragen wordt mee bepaald door de omgeving.

De beeldenaar van de keizer

Munt met als beeldenaar de keizer van Rome

Hier zien we de beeldenaar van Herodes Antipas Hier zien we dus  geen portret en alleen maar een palmboom en een riet.

 

Het was in Judea dat Jezus vroeg:Laat me eens een muntstuk zien. Op zo’n muntstuk zag je de beeldenaar de keizer in Rome. Dat zou Jezus nooit in Galilea gevraagd hebben, want de munten die Herodes Antipas in Galilea liet drukken waren beeldloos.(zie ook Bijbelse munten) Op zijn munten zien we een palm en een riet. Sommige archeologen zeggen, dat dit messiaanse beelden zijn. Dat geloof ik niet. Maar zijn munten waren wel heel anders dan de munten in de regio van zijn broer Filippus en  de munten in Judea!  Een ander voorbeeld.

Schat in de akker

 

De schat in de akker waarmee Jezus de Basileia vergelijkt (Matt 13:44), zou nooit in Galilea door de vinder behouden mogen worden, want de gelijkenis gaat er duidelijk van uit dat de gevonden schat niet aan de eigenaar van de grond, maar aan de vinder toebehoort. Zo was het beschreven in het Romeinse recht, dat Jezus ook gekend heeft. Dat  was echter  in Galilea onder Herodes Antipas helemaal niet  het geval. In Judea (dat onder direct Romeins bestuur stond), golden andere regels. In Judea mocht de vinder de  schat behouden. In de tijd van Hadrianus was het nog weer anders geregeld. Toen moest de vinder en de eigenaar de schat samen delen. Maar in de tijd van Jezus mocht de vinder alles behouden. Wat was de vinden dolgelukkig! Hij mocht alles behouden. Daaraan zal Jezus gedacht hebben toen hij die gelijkenis vertelde. De vinder was zo gelukkig met de gevonden schat, dat hij alles verkocht en die akker kocht. Hij hoefde de schat dus niet te delen, zoals een eeuw later onder Hadrianus de wet voorschreef. De pointe is dus duidelijk; we moeten niet met een gedeelde schat van de Basileia tevreden zijn, maar er naar streven hem helemaal ons eigendom te kunnen noemen.

Historische context

 

De gelijkenissen moeten dus gelezen en verstaan worden onder hun historische context. Wij hebben de schat gevonden waarover Jezus vertelt! Alle archeologen zijn het erover eens: in de gelijkenissen komen we in contact met de echte Jezus, Jezus zoals hij geleefd heeft.

 Gelaat van Jezus en van de omgeving

We kunnen  in de gelijkenissen van Jezus  het gelaat van de  Mensenzoon zelf ontdekken.

Ja toch? Jezus zelf is de barmhartige Samaritaan. Jezus zelf is de arme Lazarus, ja Hij is ook de  verborgen schat in de akker.Om de gelijkenissen van Jezus te begrijpen moeten we ook naast de toenmalige toehoorders gaan staan.

Ook moeten we ons allerlei details eigen maken  die voor de luisteraar toen vanzelfsprekend waren, maar voor ons niet meer. Kortom: we moeten de belevingswereld van de toenmalige luisteraars reconstrueren. Dan zijn we pas authentieke luisteraars.

Laten we bijvoorbeeld eens kijken naar de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard (Matt.20:1 -16). Wij kunnen het vreemd vinden dat de wijngaardenier 5 keer nieuwe arbeiders huurt.

Maar de hoorder uit Jezus’ tijd weet dat je als wijngaardenier in tijdnood kunt komen. Het druivenplukken moet voor de regentijd  klaar zijn, want in die periode kan het ‘s nachts al geen vriezen.

 De eigenaar weet dus wanneer hij haast moet maken en nog meer druivenplukkers nodig zal hebben.

Sommige uitleggers hebben de situatie in hun eigenland bij de uitleg  den genoemde gelijkenis van de wijngaardenier  “hineingelesen’. Bijvoorbeeld als ze beweren dat de arbeiders de hele dag tegen een karig loon moesten werken.

Dat kun je niet uit de gelijkenis concluderen. Ook niet dat er in de tijd van Jezus een totale werkloosheid heerste. Ook niet dat de arbeiders in Jezus tijd erg weinig verdienden. Niet de gelijkenissen zijn altijd historische bron, maar de  interpretatie moet steeds gemeten worden aan onze kennis van de leefwereld van Jezus. Daarin kan de archeologie haar bijdrage leveren.