ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Caesarea aan Zee

Open / Sluit fotoboek


Caesarea aan Zee

De volgende dag vertrokken we weer en gingen op weg naar Caesarea. Daar vonden we onderdak bij Filippus, een verkondiger van het evangelie en één van de wijze mannen. (Hand. 21 : 8)

Typerend voor deze plek: je ziet  hier nog overblijfselen van een kruisvaardersburcht en verder ook nog niet opgeruimde zuilen van de Romeinen die hier een sterke vesting hadden.

Hier kwam ik ingekrast in steen nog de naam van Pontius Pilatus tegen die hier zijn residentie had. En ook die van keizer Tiberius!

Hier je zie eerst de naam van keizer Tiberius. die leefde in de tijd van Jezus (Luc.3:1) en daaronder de naam van Pontius Pilatus. Alleen de letters van 'pon'zijn  weggesleten Caesarea was vroeger een imponerende zeehaven. Onder het bewind van Herodes de Grote werd de plaats enorm uitgebreid en verfraaid.

 

Zie de muurtekening uit de tijd van Herodes!

Caesarea aan Zee

Hier heeft Paulus gelogeerd in het huis van de evangelist Filippus (Hand. 21:8)[1].

Hier, in deze stad aan de zee, had Paulus 2 jaar huisarrest maar kon hij iedereen ontvangen[2]

Hier had Paulus regelmatig contact met Lucas en andere presbyters.

Vanuit deze stad trok Lucas er 2 jaar lang op uit om gegevens te verzamelen voor zijn boeken

(zijn evangeliebeschrijving  en het boek Handelingen der apostelen)

Vanuit deze plaats heeft Lucas zo goed als zeker ook Maria de moeder van Jezus geïnterviewd en vele anderen die in zijn evangelie ter sprake gebracht worden.

Hier in Caesarea heeft Paulus een bijzonder confronterend gesprek gehad met  procurator Felix  over het geloof in Jezus Christus. (Hand.24:26)[3] Zie ook onder Herodion.

Ook kun je nog het schitterende (gerestaureerde) amfitheater bewonderen uit de tijd van centurio Cornelius!!

Op weg naar de keizer Gaat u mee?

Op de kade van Caesarea heeft zich zojuist een cohort Romeinse soldaten ontscheept. De felle zon blikkert op de 600 borstplaten.
De vele flitsende spiesen en blinkende schilden vormen een woud van licht. Galopperende Romeinse ruiters, hun rode helmpluimen wippend op de cadans van de paardenbenen, scheren rakelings langs Paulus en zijn reisgenoten als zij op weg zijn naar enkele oudsten der gemeenten.
Vlak vóór de kazerne komen ze twee strijdwagens tegen die door vurige zwarte hengsten worden getrokken. De wielen ratelen over de bonkige keien.
"Je kunt wel zien dat de Romeinen hier hun hoofdkwartier voor heel Palestina hebben", merkt Lucas op. Tychicus gaat naast Paulus lopen en vraagt hem: "Was het hier niet dat Petrus zijn geloof in Jezus als de Christus, de Zoon van de levende God beleed?"
"Nee, dat was in Caesarea Filippi aan de voet van de Hermon en bij de bronnen van de Jordaan." antwoordt de apostel. "We zijn nu in Caesarea Palestinae dat door Herodes de Grote gebouwd is rond een kleine nederzetting van Sidoniërs. Hier is de residentie van de Romeinse stadhouder Felix.  Zullen we even langs zijn paleis lopen? We zijn er vlak bij".
Als ze bij het paleis aankomen  wijst Paulus hem op het schitterende, in wit marmer opgetrokken bouwwerk:"Hier woonde vroeger ook Pontius Pilatus". Aristarchus kijkt verbaasd:"Maar Pontius Pilatus woonde toch in Jeruzalem? Daar heeft hij toch Jezus aan de Joden uitgeleverd om Hem te laten kruisigen?"
"Nee, alleen tijdens de grote feesten woonde hij in Jeruzalem.  En je weet dat Jezus vlak voor het Paasfeest is veroordeeld en gestorven. Juist met het oog op het Joodse Pascha was hij uit deze stad vertrokken om tijdens dit feest in Jeruzalem te zijn. Hij was erg bang voor relletjes. En daarom wilde hij  daar een oogje in het zeil houden".
Paulus en zijn reisgenoten keren weer terug  in de richting van de kazerne. Als spoedig zien ze de hoge wachttoren van de kazerne.
Boven op deze toren ontwaren ze een grote koperen adelaar blinkend in het zonlicht, zijn vlerken open, zijn kop manhaftig naar voren gestoken als teken van overwinning. Ze lopen de kazerne voorbij en  bereiken een groot plein, waar een enorme waterklok precies de tijd aangeeft. Lucas merkt op:
"Hier is Cornelius, de Romeinse centurio  tot bekering gekomen". [4] Kort daarna gaat het gezelschap zitten op een brede stenen bank onder het wateruurwerk. Hij is versierd met twee gebeeldhouwde leeuwen. Gajus uit Derbe gaat nu naast Paulus lopen en vraagt hem "Wat voor functies hebben die stadhouders hier eigenlijk?"
"Kijk dat zit zo antwoordt Lucas". Dan begint hij te vertellen:
Er zijn in het Romeinse rijk twee soorten  provincies.  Senaatsprovincies en keizerlijke provincies. De senaatsprovincies staan rechtstreeks onder het bestuur van de Romeinse senaat. Het zijn provincies waar het erg rustig is en men geen opstand verwacht.
Het hoofd van zo'n provincie heet een proconsul. Zo iemand was bijvoorbeeld Gallio over de provincie Achaje.
De keizerlijke provincies staan rechtstreeks onder het bestuur van de keizer. Het zijn provincies waar men een opstand kan verwachten. Het hoofd van zo'n provincie heet in de volksmond gouverneur, en zijn officiële titel is legaat van de keizer. 
Zo iemand was bijvoorbeeld Quirinius [5]die tijdens de geboorte van Jezus het bewind over Syrië voerde.
Tenslotte zijn er binnen de keizerlijke provincies ook nog regio's die extra onrustig zijn en zeer moeilijk te besturen. Dat is bijvoorbeeld Judea met Jeruzalem als hoofdstad. Het hoofd van zo'n regio wordt procurator (stadhouder) genoemd. Zo'n stadhouder was bijvoorbeeld Pontius Pilatus. Ten opzichte van zo'n gebied voerde de keizer van Rome een echte vriendjespolitiek.
Hij koos als stadhouder altijd iemand die hij voor 100% kon vertrouwen. Hij kreeg de titel amicus Caesaris, vriend van de keizer. We begrijpen nu waarom Pontius Pilatus zo gevoelig was voor wat de Joden tot hem zeiden: "Als u deze Jezus loslaat bent u geen vriend van de keizer meer". Het was Pontius Pilatus er alles aan gelegen om 'amicus Caesaris' te blijven, dat wil zeggen om zijn ambt als procurator te kunnen gehouden. Later is hij door de keizer toch de laan uitgestuurd. Hij werd terug geroepen naar Rome. Toen heeft de keizer een ander benoemd als procurator. Deze heette Felix. Het was deze procurator tegenover wie Paulus zich eerst moest verantwoorden. [6]
Na Felix kwam Festus. Festus die bij de Joden een goede naam wilde krijgen vroeg Paulus: "Wilt u naar Jeruzalem gaan en daar bij de Joden in mijn bijzijn terechtstaan in de zaak waarvoor ze u aanklagen? "
Paulus antwoordde: "Ik sta voor de keizerlijke rechtbank en dáár moet ik terechtstaan, niet voor de joden". Klip en klaar was toen het antwoord van de procurator: "Op de keizer hebt u zich beroepen.  Naar de keizer zult u gaan!"


  • [1] Deze Filippus is later naar Hiërapolis vertrokken. We troffen in deze plaats nog de ruïnes aan van de zogeheten Filippuskerk. Daar heeft Filippus gewerkt en daar is hij gestorven.
  • [2] Hand. 24:23
  • [3] De beroemde geschiedschrijver Tacitus schrijft van hem: 'In ieder vorm van wreedheid en liederlijkheid heeft hij een koninklijk recht met een slaafse geest uitgeoefend.' Hij was zeer corrupt, volkomen onbetrouwbaar en helemaal afhankelijk  van de gunst van Jood en  keizer. Hij hield veel van vrouwen. 
  • Drusilla was niet zijn echte vrouw. Ze hoorde een ander toe. Geld was voor hem alles. Paulus heeft in vele gespreken hem gewezen op zijn verkeerde levenswandel. 
  • Hoewel hij zeer geboeid werd door het optreden van de apostel, wekte zijn indringende woorden over Jezus Christus verzet en irritatie bij hem op. Hij wilde zijn leven niet veranderen. (zie Hand.  24:25)
  • [4] Hand. 10:1
  • [5] Lucas 2:2
  • [6] Felix was zeer goed op de hoogte van wat de christenen beleden.
  • Zij werden genoemd 'mensen van de weg'  namelijk mensen van de weg die Jezus heeft gewezen (Hand.24:22. Zijn huidige partner was trouwens een Jodin.
  • Zij zal hem zeker over die Jezus van Nazaret verteld hebben. Ze heette Drusilla. Samen met Drusilla kwam Festus in Caesarea aan. Hij liet Paulus roepen.
  • Hij hoorde hem spreken over het geloof in Jezus Christus. Maar toen Paulus het had over rechtvaardigheid en ingetogenheid en het toekomstig oordeel, werd Felix bang. Hij stuurde Paulus weg en zei: later zal ik u nog wel eens ontbieden (Hand. 24:25)