ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Bijbelse tolhuizen

Open / Sluit fotoboek


Bijbelse tolhuizen

 

Over tolhuizen en tollenaren  

 

Jezus roept tollenaar Levi Hem te volgen. Op dit schilderij van Cara Vaggio (1573-1610) zien we Jezus (geheel rechts) Hij roept Levi (midden achter de tafel) zich bij Hem aan te sluiten. "Wie ben ik?" lijkt Levi te zeggen. Het licht valt op zijn gezicht. Levi krijgt van Jezus de naam Matteus Petrus staat vlak voor Jezus en ontneemt enigszins het uitzicht op Jezus.

Er waren in Israël heel veel tolhuizen.

Ik vind dit een indrukwekkende foto van de Arbelkliffen    aan het meer van Galilea. Onder aan de voet van deze klif liep een handelsweg, waaraan waarschijnlijk ook tolhuizen stonden. Jezus heeft deze kliffen gezien als hij naar het westen reisde vanuit Kafarnaum

 

Schilderij van Leonarda da Vinci. Jezus heeft tafelgemeenschap met zijn leerlingen. Het is het beeld van de kerk. Het gaat bij het volk van God van Paasmaaltijd via de maaltijd in het huis van tollenaar Levi, en het Heilige Avondmaal of Maaltijd van de Heer naar de maaltijd van de bruiloft van het Lam. 

Tollenaren hieven daar tolgelden. Overal in het land werd tol geheven. Bij poorten, bruggen en wegen en vooral bij  kruispunten van wegen.

Dat was niet alleen zo in Israël, maar in het hele Romeinse Rijk. De tollen behoorden tot de indirecte belastingen.

Voor de directe belastingen in Jeruzalem was de hogepriester belast, maar die in Galilea  was de taak van Herodes Antipas. Maar de tolgelden behoorden tot de indirecte belastingen. Het was voor de overheid  een onbegonnen zaak voor het innen van deze belastingen ambtenaren aan te stellen.

Het innen van deze indirecte belastingen werd daarom door de overheid verpacht. Het innen van de tolgelden was dus geprivatiseerd. Jaarlijks konden de tollenaren per stad of regio een bod opbrengen om deze heffingen te mogen incasseren. Van Johannes de Doper weten wij dat die tollenaars  het vanzelfsprekend vonden  om van de burgers een veel hoger bedrag te vragen dan hen was toegestaan (Luc.3:13).

Er kwamen immers ook veel tollenaars naar Johannes de Doper om zich te laten dopen en zij vroegen hem “Wat moeten wij doen, Johannes?’ “Vorder niet meer dan jullie is opgedragen” was zijn antwoord. Hoe was de situatie?

Tollenaren en oppertollenaren

Tollenaren hadden een slechte reputatie.Zij waren grote uitbuiters van het volk. Als een tollenaar voorbijging spogen de Joden op de grond uit verachting. De Farizeeen daarentegenstonden hoog in aanzien bij het volk. De discipelen zullen verbijsterd geweest zijn toen Jezus bij de tollenaars ging eten.

De pachter verbond zich aan de staat een vaste som te betalen en daarmee was de staat er van af. Er waren vaste tarieven die de pachter mocht vragen, maar hij mocht een behoorlijk winstmarge in eigen zak steken. Het eerste half jaar moest hij echter de pachtsom uit eigen zak betalen. De belastingpachter moest wel een kapitaalkrachtig man zijn. Hij was helemaal zelfstandig. Hij kocht een groot huis waarin hij de tolgelden kon ontvangen. De woning van Matteüs was zo’n grote woning want hij kon vele collega’s gastvrij ontvangen.. 

Wat deden nu sommige tolpachters? Om het risico te verspreiden en om nog meer geld uit de zakken van hun landgenoten te kloppen gingen zij bepaalde tollen in een district toewijzen aan kleine pachters.

Die mochten zelf ook een bepaald tarief rekenen, maar de hoofdpachter moest ook weer een behoorlijke winst maken van die kleine pachters. Hij had zichzelf  aangesteld tot oppertollenaar.

Zo’n  hoofdpachter of oppertollenaar was over de ruggen van het gewone volk en de ruggen van de kleinere pachters steenrijk geworden.

Zacheus

In Lucas 19:2 komen we zo’n oppertollenaar tegen. Hij heette Zacheüs. Hij woonde in Jericho. Dat was een uitstekende plek om tol te heffen. Duizenden pelgrims op weg naar de grote feesten in Jeruzalem moesten bij Jericho  de Jordaan oversteken. En ook reizigers en karavanen uit het Overjordaanse en uit Mesopotamië op weg naar Jeruzalem moesten de tolhuizen van Zacheüs passeren.

Archeologen beweren dat Jericho de oudste stad is. Deze toren in het klassieke Jericho is onlangs opgegraven. Hij was 8 meter in doorsnee en nu ook nog 8 meter hoog. Het is echter de vraag of hij uit het neolitische tijdperk stamt, zo'n 6.000 jaar geleden. In ieder geval zijn hier bij de overgang van de Jordaan naar Jeruzalem altijd tolhuizen geweest vanaf de vroegste tijden.

Zacheus was klein en hij verborg zich voor de mensen in een vijgenboom, want hij wilde Jezus wel eens zien.(Luc. 19:4). Maar Jezus zag hem eerder, net zo als Jezus  Natanael eerder zag. (Joh.  1:48).Maar Natanael zat onder die boom en Zacheus klom erin. Jezus vindtd mensen achter de bladeren waar achter zij zich verstoppen! Vijgenbomen hebben grote bladeren.

 

Levi=Matteus

In het Nieuwe Testament wordt nog een andere tollenaar met name genoemd. Hij heette Levi.

Hij was Jezus gevolgd en kreeg de naam Matteüs.(Matt. 9:9).Hij was tolbeambte in  of vlak bij de woonplaats van Jezus , Kafarnaüm. Je moet niet vergeten dat de grote karavaanweg uit Egypte over de Via Maris en Sefforis even ten noorden van Kafarnaüm liep, daar afboog via Hazor naar Damasus en ten zuiden van Kafarnaüm via Betsan  naar Oost-Jordanië leidde. Kafarnaüm behoorde tot een internationaal doorgangsgebied. Geen wonder dat daar tolhuizen waren. Er is nog niet zo lang gelden langs de kustlijn van Galilea een 770 meter lange promenade blootgelegd waar zich pieren uitstrekten van 31 meter lang.

Waarschijnlijk heeft het tolhuis van oud-tollenaar Matteüs daar ook gestaan. Ik vermoed dat het zijn eigen woning was.Tolbeambten waren kleine zelfstandigen.

Ook de schippers moesten tolbelasting betalen als ze hun vis gingen verkopen en de gedroogde vis op transport werd gesteld naar het buitenland.

Het aantal tollenaren zal vrij groot geweest zijn, want Matteüs vertelt dat vele tollenaars met Jezus en zijn leerlingen aanlagen in het tolhuis. Marcus onderstreept dit nog eens door te schrijven::Er waren namelijk vele en zij volgden Hem (Marc. 2:13).

Er blijkt ook uit dat zo’n tollenaar over een zeer ruime woning kon beschikken. In een oosterse woning kon je heel goed naar binnen kijken. Dat deden de Farizeeën ook en toen zij Jezus daar gezellig zagen eten en drinken met de meest verachte bevolkingsgroep van Israël werden zij witheet van kwaadheid en zeiden: Zie je wel:Soort zoekt soort. De tollenaren hadden een buitengewoon slechte reputatie. Ze worden in de bijbel in een adem genoemd met zondaren (Matt. 11:19) en heidenen (Matt.18:17).

Tollenaren en zondaren

Zondaren waren mensen die niet leefden volgens de spijswetten van Mozes en er oneerlijke praktijken er op na hielden.

De discipelen zullen vreselijk geschrokken zijn toen Jezus ging eten met de tollenaars. Dat ging tegen alle normen van de toenmalige eetcultuur in. In de oosterse maaltijdcultuur was wederzijdse erkenning en bevestiging  de eerste voorwaarde. Dat gaf de leerlingen een grote schok.

Jezus zei echter : “Ik ben niet gekomen om sterken te roepen, maar zondaars.” Laat niemand zich gezond voelen in de wachtkamer van deze arts. Diezelfde boodschap vind je weer terug in de bekende gelijkenis van de Farizeeër en de tollenaar. Die tollenaar riep uit O God, wees mij zondaar genadig. 

Tolhuis is beeld van de kerk 

Het tafereel van die tollenaars en zondaars  en leerlingen in het tolhuis is een beeld van de kerk. Het woord ‘kerk’ betekent zij die “geroepen”zijn. Wij worden door Jezus geroepen aan één tafel. In het verleden, heden en toekomst vormt het volk van God één tafelgemeenschap. Het gaat van maaltijd tot maaltijd.

Van de Paasmaaltijd met het Paasoffer via de Maaltijd van de Heer pelgrimeren wij naar het bruiloftsmaal van het Lam in het Nieuw Jeruzalem.

Ook in die maaltijdcultuur is er slechts één voorwaarde, namelijk dat we elkaar aanvaarden, zoals we zelf aanvaard zijn.