ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Aleutheria gaat op bedevaart

Open / Sluit fotoboek


Aleutheria gaat op bedevaart

 In de tijd van keizer Constantijn had men weliswaar de goden van de Olympus verlaten, maar  velen riepen nu de hulp in van heiligen en martelaren om pleitbezorger bij God te zijn. Heidense elementen slopen in de erediensten binnen. De boeiende beschrijving van de pelgrimage van Aetheria in de vierde eeuw is daarvan een voorbeeld. Zij ondernam een bedevaart naar vele bijbelse plaatsen en de graven van Thecla, Eufemia, de apostel Johannes en vele andere heiligen. Niet meer de Heilige Schriften, maar de heilige plaatsen en heilige martelaren kregen alle aandacht.”En zo schoof het hemels legioen van heiligen zich voor Christus en maakte Hem vrijwel onzichtbaar. In de Oude Kerk kondigt zich reeds de Middeleeuwse Kerk aan, die een Heiligenkerk was “(Dr.J. Wytzes)   

 

  •  Hier zie je de bergen van Sinai die zij beklom. De middelste berg is misschien of vermoedelijk de berg Gods.
  • Het reisverslag van Aleutheria begint met de beklimming van de Dsjebel Moesa. Het is een vreselijk vermoeiende tocht. Voelt zij zich daardoor dichter bij God? Zij verlangt misschien  ook Gods heerlijkheid te zien, net als Mozes.
  • We bezitten een zeer uitvoerig verslag van een vrouw die al eind vierde eeuw  een reis gemaakt heeft naar bijbelse landen!
  • Ik vind dit  een bijzonder boeiend verslag en daarom ga ik  op deze website van bijbelse plaatsen daar ook iets over vertellen.
  • De vrouw heet Aetheria.
  • Plaatsen met vette letters kunt u ook opzoeken op onze site.

 

Vervolgens gaat zij naar de woestijn Paran. Moslimgeleerden zeggen dat de woestijn van Paran de regio van Mekka is, waar Abraham met zijn zoon Ismael de Kaaba heeft gebouwd!! Vandaar gaat ze naar de regio Gosen waar Israel verbleef in Egypte.

Het land Gosen ligt in de Nijldelta. Maar eerst moest Aleutheria door de Paranwoestijn trekken. Het was een zeer v ermoeiende tocht.

Hier zien we de ruines van het opgegraven Tani, boven de verdwenen stad Zoan. Zoan was 7 jaar na Hebron gebouwd (Num. 13:22) .Het was de hoofdstad van de Hyksos, de schaapherdersvorsten die ruim  500 jaar de macht bezaten over Egypte

Graftombe van Thecla uit Iconium die met Paulus meegereisd is. Natuurlijk moet zij ook haar graf bezoeken en daar bidden. Zij schijnt mannenkleren gedragen te hebben om de mannen niet te verleiden. Maagdelijkheid was haar grote ideaal. Zie  ook bij Silifke dat is  de Turkse naam voor Seleukia

Een andere martelares was Eufemia uit Chalcedon. Zij weigerde te offeren aan de god Ares. Zij werd daarom onder keizer Diocletianus voor de leeuwen geworpen

De  moedige pelgrim wil ook beslist naar Haran om het graf van Nahor en Haran en Laban te bezoeken. De graven zijn door de heidenen keurig verzorgd. Ze slaapt daar in een van deze bijenkorfachtige huisjes, die nog niets veranderd zijn.

De broeders  monniken laten haar zelfs de waterput zien waar Rebecca het vee kwam drenken. "Je kunt die put zelf nu nog  inderdaad zien" zeggen de archeologen.

Hier zie je dat Tarsus nog verscheidene dagreizen van Haran verwijderd was. Dat was vergeleken met de lange tocht van Tarsus tot Chalcedon en Constantinopel  slechts een kleine trip.

 Bij de Jordaan gekomen wordt haar de plek getoond waar Johannes de Doper Jezus gedoopt heeft en ook de plek hier vlakbij waar het volk Israel de Jordaan is overgestoken. (Gustav Dore). Daar in Gilgal bij de ingang van het Beloofde land  kreeg Israel het teken van Gods  Verbond. Daar maakte het volk later ook nieuwe afgodsbeelden! Maar laten we nu maar weer eens teruggaan naar Aleutheria. Hoe zag ze er uit? En wat vertelt ze? Het is net alsof we haar al jaren kennen.

Haar kleding 

Geen enkele reiziger in het Romeinse rijk zou zijn reismantel op zijn reizen niet meenemen. Ook Paulus had een reismantel.

 Hij had hem indertijd laten liggen bij Karpus in Troas. Timoteüs moet hem meenemen als hij komt (2 Tim 4 : 13). Die reismantel had de vorm van een geheel gesloten cape en was voor vrouwen en mannen gelijk.

 Er waren geen mouwen aan. Had men het hoofd door de opening gestoken, dan hing hij dus om het hele lichaam heen.

De naad zat aan de voorkant en aan de benedenkant liep die niet door, zodat men de twee zijpanden enigszins op zij kon slaan. Vooral voor het stof had men zo’n mantel nodig.

Aetheria zal ook zo’n reismantel gehad hebben en ook een reiszak, waarin zij in ieder geval twee boeken had gestopt: de bijbel en het Onomasticon van Eusebius van Caesarea, een boek dat alle bijbelse plaatsen vermeldt

.Verder zullen Paulus en Aetheria een  breed gerande hoed gedragen hebben als bescherming tegen de zon.

Die hoed hing met een band op de rug als hij niet nodig was. Paulus reisde altijd te voet. Aetheria maakte vaak gebruik van een muilezel of een paard. Ezel en paard werden niet gezadeld. Het zadel zoals wij dit kennen komt pas voor in de latere keizertijd. Ik maak bij het vertellen van de belevenissen van Aetheria  gebruik van de vertaling van prof.A.Sizoo .Die is opgenomen in zijn boek “Reizen en trekken in de oudheid” (1962) .

Dit reisverslag is in 1884 door een Italiaans geleerde gevonden in een klooster in Arezzo.

Het begin van haar boek is verloren gegaan en daarom  begint haar manuscript met de beklimming van de Sinaï. Waarschijnlijk is zij afkomstig uit Galicië, de noordwesthoek van Spanje. Zij heeft haar reisverslag geschreven aan haar ‘eerwaardige zusters’  Vermoedelijk behoorden deze dames tot een religieuze gemeenschap, waarvan zij ook lid was.

Ze moet wel een dame geweest zijn van zeer goeden huize. Zeker ook niet onvermogend. Overal wordt ze met groot respect ontvangen. Wellicht was ze ook in het bezit van een zogenoemd diploma,  dat was toen een reispas die slechts aan VIPS werd verleend. Dat diploma gaf haar het recht van de rijkspostdienst gebruik te maken en rijksbescherming te genieten. Vaak wordt ze in gevaarlijke regio’s geëscorteerd door militairen

. Aetheria  wil de heilige plaatsen die in de bijbel genoemd worden bezoeken. Ze wil bidden aan de graven der heiligen en martelaren. Ze wil ook contact zoeken met het monnikenwezen, dat in het oosten zich zo sterk ontwikkelde. Overal ontmoet ze monniken die in kluizen heel dicht bij elkaar rond een kerk wonen .

Door hen wordt ze overal voortgeholpen en begeleid. Waarschijnlijk is zij ook in gezelschap van andere mensen, die haar helpen.

 

VAN JERUZALEM NAAR EGYPTE

 

Van Jeruzalem reist ze naar Egypte en van daar volgt ze zo goed mogelijk de route die de Israëlieten genomen  hebben  bij hun uittocht. Bij de Sinaï aangekomen gaat zij met haar gevolg de Dsjebel Moesa  beklimmen.

In haar tijd dacht men dat deze 2200 meter hoge de  berg Sinaï was. De hoogte weerhoudt Aetheria niet de berg te beklimmen. Het valt haar vreselijk tegen, maar ze klaagt niet. Ze had gedacht dat ze te paard via een smalle weg de berg te kunnen beklimmen, maar ze moet te voet gaan. Monniken zijn haar gidsen. Die laten haar in een groot dal de plek zien waar het volk Israël het gouden kalf maakte (Ex. 32) en de plaats waar de brandende braamstruik heeft gestaan. Geen ogenblik heeft Aetheria  getwijfeld aan de zeer gedetailleerde gegevens die de monniken haar doorgaven. Laat ik haar zelf maar het woord geven in italics in de vertaling van prof. Sizoo.

Zaterdagavond hebben wij ons op de berg begeven en toen wij bij enige kluizenaarswoningen kwamen, ontvingen de monniken, die daar woonden, ons zeer vriendelijk en bewezen ons alle gastvrijheid .

Daar is ook een kerk met een priester. Daar bleven we dus die nacht. Zondags vroeg begonnen we met de priester en de monniken die daar woonden, de bergen te beklimmen .

De beklimming is buitengewoon moeilijk, want men gaat niet langzamerhand met bochten naar boven, spiraalsgewijs( zoals men wel zegt) , maar men klim ten klautert rechtstreeks naar boven  als tegen een muur en men moet ook elke dag weer rechtstreeks afdalen tot men eindelijk aan de voet komt van de middelste berg, die de eigenlijke Sinai is.

 Zo liep ik naar de wil van Christus, onze God, gesteund door de gebeden van de heilige mannen die mij vergezelden,  met grote inspanning, want ik moest te voet opklimmen, want het was absoluut onmogelijk in het zadel naar bo ven te rijden. Toch bemerkte ik al die moeite niet omdat ik zag dat naar Gods wil het vurige verlangen dat ik had bezig was in vervulling te gaan.

Op de vierde dag bereikten wij vanaf de voet van de berg de top van de heilige berg Gods, de Sinai,waar de Wet gegeven is, namelijk die plaats waar de heerlijkheid Gods neerdaalde op die dag waarop de berg rookte ((Exodus 19:18)

De monniken laten haar ook de spelonk zien waar Elia zich verborgen had.(1 Kon. 19:9). Dat was bij de berg Horeb.

 Daar bevond zich toen nog het stenen altaar waarop Elia offerde. Het is wel heel opvallend, dat de vrome gidsen van de kordate pelgrim haar allerlei plaatsen aanwijzen waar iets bijzonders gebeurd is: de plek waar het gouden kalf gemaakt is, en de plaats waar Mozes met Jozua was afgedaald, waar het manna regende en de kwakkels neerkwamen, waar Mozes voor het eerst de tabernakel oprichtte enz.Aetheria is wel erg naïef, want ze neemt onmiddellijk aan wat de monniken haar vertellen.

 

Ze verlaat de omgeving van de Sinaï en vertrekt naar de woestijn  Paran, 53 km naar het noordoosten.

Twee dagen doet ze erover. Ze schrijft:” En toen wij weer in Clysma gekomen waren, moesten wij daar opnieuw uitrusten, want we hadden een zeer moeilijke tocht gemaakt door de zandwoestijn.

Clysma lag ongeveer op de plaats van het tegenwoordige Suez en Aetheria was er van overtuigd, dat de Israëlieten daar door de Rode Zee getrokken waren. Een moslimgeleerde vertelt in een van zijn boeken, dat de woestijn Paran de huidige regio van Mekka is en dat Abraham daar met Ismaël de Kaäba heeft gebouwd. Vandaag bevindt zich daar een beroemde Moshav van Israel (een soort kibboets).Aetheria wil zo graag in de voetstappen van Israel gaan en daarom reist ze nu eerst naar Gosen.

Gosen

Haar voorlopig einddoel is de stad Arabia in het land Gosen. Ze schrijft:

Van Clysma dat is van de Rode Zee tot aan de stad Arabia zijn het vier dagreizen door de woestijn, maar na iedere dagreis treft men posten aan met soldaten en officieren, die ons steeds begeleidden van fort tot fort.

Op die reis wijzen de heilige mannen de verschillende plaatsen aan. Op grond van de Schriften vroeg ik telkens waar die plaatsen liggen. Soms links van de weg, soms rechts van de weg die we gingen.

Men wees ons Epauleum  (dat is Pi-Hachirot, Ex.14: 2,9) en ook zijn we te Magdalum (Migdol, Ex. 14: 2) geweest.(Hebreeuwse namen zijn vervangen door Latijnse!)Daar bevinden zich ook Romeinse soldaten. “Te Arabia in het vroegere Gosen wordt het Epifaniënfeest gevierd, dat is het feest waarop men in het oosten de geboorte van Christus viert. Een oude bisschop was van het 6 km verder liggende Ramses gekomen om haar te gidsen in het vroegere Gosen. Hij was volgens Aetheria zeer goed thuis in de Schriften. Hij heeft haar alles doen zien wat zij zo graag wilde zien en ook de militairen gingen voor haar veiligheid mee. Als ze weer terug zijn in Arabia, stuurt ze de soldaten weer terug want die zijn niet meer nodig nu ze de grote weg door Egypte bereikt hebben. Van Arabia reist ze in twee dagen naar Tanis (Zoan), Num 13:22)---Zoan was de grote en belangrijke stad van de Hyksos, de schaapherdersvorsten die 500 jaar lang  aan de macht waren in Egypte (totdat er een koning verscheen die Jozef niet gekend had).

De Grieken noemden deze stad Tanis . Van Arabia reisde zij langs dezelfde route, die ze op de heenweg genomen had, in verscheidene dagmarsen naar de grens van Palestina “En vandaar maakte in  de naam  van Christus, onze God, nog een aantal dagreizen door Palestina en kwam weer terug in Aelia, dat is Jeruzalem  die de Romeinen zo noemden na hun verwoesting van de stad.

Nebo

Aetheria is onvermoeibaar en verlangt nu de berg Nebo te bezoeken en te beklimmen. Een heel gezelschap uit de kerk van Jeruzalem gaat met haar mee. Aan de Jordaan gekomen tonen de gidsen haar de plaats waar Jozua met de kinderen Israëls de rivier overgetrokken waren.

Ook het gezelschap trekt de rivier over en komt bij de stad Livia. Op veel plaatsen waar zij verschijnen treffen ze monnikenkolonies met een kerk aan. Iedere plaats waar ze komen, wijzen de monniken met een kinderlijke lichtgelovigheid plaatsen uit het Oude Testament aan.

Ook de ruines van Salem, de oude stad waar Melchizedek woonde wordt aangewezen. Dan bedenkt Aetheria , dat (volgens Joh. 3:23) in de buurt van Salem de plaats Enon ligt, waar Johannes de Doper gedoopt heeft.

Daar doopte Johannes en worden ook nu nog – zo vermeldt de priester-  mensen uit het dorp gedoopt. Weer wordt daar gebeden, gelezen en een psalm uitgesproken. Nog meer krijgt ze te zien. Voorttrekkend door het dal van de Jordaan bereikt ze de plaats

Tisbe, waar Elia gewoond heeft. Ze ziet daar een grot waar Jefta begraven is, en even verder het dal van de beek Krith, waar Elia zich verborgen had gehouden. Vervolgens trekt het gezelschap naar de stad Carneas, waar Job gewoond zou hebben.

Enige tijd daarna – ze was nu drie volle jaren in Jeruzalem geweest – verlangt ze naar haar vaderland terug te keren. Ze had alles gezien wat zij verlangde, maar kan toch niet nalaten op de thuisreis nog een uitstapje te maken naar Mesopotamie. Ze wil daar kennismaken met het monnikendom dat zich daar ontwikkeld had. Ook wil ze graag in Edessa het graf van de apostel Thomas bezoeken. Het was een tocht van 25 dagreizen, ze reist over Antiochië en vandaar naar Hiërapolis. De rivier de Eufraat is vandaar 23 km verwijderd. Aetheria komt onder de indruk van de machtige stroom; hij is nog groter, zegt ze,  dan de Rhône. Met grote schepen steekt het gezelschap de rivier over.

Edessa

Over Batanis reist ze naar Edessa. In Batanis ligt een garnizoen onder commando van een tribuun. Wellicht heeft die tribuun haar verder geholpen. Direct nadat ze in Edessa is gearriveerd, bezoekt ze de kerk van de apostel Thomas.

 Daar wordt gebeden  bij het graf van de apostel Thomas en worden de schriften geopend, die op Thomas betrekking hebben. Ook bezoekt ze het paleis van koning Abgar omdat die een briefwisseling gehad zou hebben met Jezus. Die brief mag ze inzien en ze krijgt een kopie ervan mee voor haar vaderland.

Na drie dagen  vertrekt ze en reist naar Haran (Charan) Daar wordt haar een kerk gewezen, die op de plaats van Abrahams huis staat.

Haran

Het valt Aetheria op dat er in Haran bijna geen christenen zijn. Maar de heidenen hebben toch grote eerbied voor de graven van Nahor en Bethuel die anderhalve km buiten de stad liggen. Zij bezoekt die ook.

En natuurlijk ook de put waaruit Jakob de kudden van Rachel drenkte. De steen die Jakob had afgewenteld ligt er nog. Ook het dorp waar Laban gewoond had, wordt bezocht. Dan neemt Aetheria van haar vriendelijke gidsen afscheid en trekt langs dezelfde route en dezelfde overnachtings plaatsen in verschillende kloosters  als op de heenreis naar Antiochie terug.

Nu begint de grote thuisreis, voorlopig naar Constantinopel. Maar eerst neemt ze een week om zich op de grote reis voor te bereiden. Als alle toebereidselen gemaakt zijn, reist ze af, eerst enige dagen noordwaarts, dan westwaarts naar Tarsus. Die geboorteplaats van de apostel had ze op haar heenreis al bezocht en dus zegt ze er nu niets van.

Thecla

”Maar” zo zegt ze,”omdat op drie dagreizen van Tarsus de gedachtenisplaats is van de heilige martelares Thecla, wilde ik graag ook daar heengaan, vooral daar het zo dicht bij was.” Ze noemt een afstand van drie dagreizen dus dichtbij!!

Dan reist ze over Corycus naar Seleukia (de plaats heet nu Silifke) en blijft daar twee dagen en bezoekt er ook enkele kerken. Tot haar verrassing treft ze daar een van haar beste  vriendinnen aan die naar Jeruzalem gegaan was om te bidden. Ze reist vervolgens terug naar Tarsus en rust daar enkele dagen uit.Dan  begint voor haar de grote reis noordwestwaarts. Het laatste hoofdstukje van haar reis geef ik hier onverkort weer:

Dezelfde dag kwam ik bij de halteplaats Mansocrenas, aan de voet van het Taurusgebergte en daar verbleef ik. De volgende dag beklom ik de Taurus’ Ik nam nu de weg door de verschillende provincies die ik op de heenweg gepasseerd was, namelijk Cappadocie, Galatie en Bithynie en kwam eindelijk in Chalcedon aan .Daar hielde ik halt wegens de zeer  beroemde herinneringsplaats van de martelares Euphemia die zich daar bevindt en die ik nog van vroeger kende .De volgende dag ging ik over zee verder en kwam te Constantinopel. Christus onze God dankend, dat Hij zo goed was geweest mij onwaardige die dat niet verdiend had, de gelegenheid had gegeven al die heilige plaatsen te bezoeken die ik verlangde. Toen ik daar in Constantniopel gekomen wa, hield  ik niet op om daar alle kerken en heiligdommen die aan de apostelen gewijd waren en gedachtenisplaatsen der martelaren Jezus onze God te danken die zo barmhartig voor mij had willen zijn. En nu ik dit voor u schrijf, liefdevolle zusters, is het mijn plan om in naam van Christus, onze God naar Asia te reizen en wel naar Efeze om te bidden bij het graf van de heilige apostel Johannes

Hier eindigt haar verslag.

 Ze gaat  nota bene dus ook nog naar Efeze! Ze heeft alleen maar oog voor heilige plaatsen die haar aan de bijbel herinneren. Op al die plaatsen bidt zij tot de heiligen. Merkwaardig is ook dat zij nooit in haar verslag klaagt over vermoeidheid  door de lange dagmarsen noch over het logies. Ze heeft weliswaar gebruik gemaakt van een paard of een muilezel en wellicht ook van de postkoets, maar veel kilometers heeft ze toch te voet moeten afleggen. Het was een pelgrimsreis van vele, vele duizenden kilometers!!