ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ

Arimatea

Open / Sluit fotoboek


Arimatea

 

Zie ook Graftuin

(Zie ook Bijbelse begrafenis)

Geen twijfel mogelijk! De belangrijkste  bijbelse plaats als vindplaats van God is de fraaie rotsgraftuin van het vermogende Raadslid Jozef van Arimatea.

Jozef verzorgde ook de begrafenis van Jezus. Hij zalfde voordat Jezus begraven werd het dode lichaamvan Jezus.Hij gebruikte geen balsemolie. Zie bij het einde van het artikel Gilead/Balsem

Daar is door Gods onmiddellijke interventie

Jezus opgewekt uit het dodenrijk. Gaat u even meekijken naar zo'n graf ? Je moet wel even de tijd nemen, hoor.Het is nogal een lang verhaal geworden vind ik zelf.

Opstanding

De opstanding van Jezus Christus is het scharnier waar heel het christelijk geloof om draait. Het is de gloeiende kern van het christelijk geloof.

Dáár in die rotstuin is onze Heiland niet in dit leven teruggekeerd zoals we lezen van Lazarus bijvoorbeeld, maar daar ging Hij dwars door de dood heen naar het nieuwe, eeuwige leven bij God. De opwekking van Jezus vond plaats in een ontoegankelijk licht. 

De plááts Ariamatea is daarom voor ons niet zo belangrijk.  Ze wordt in de bijbel genoemd omdat daar een zekere Jozef  van Arimatea gewoond heeft. Er waren in Israël heel veel mannen die de naam Jozef droegen. Om hem van anderen te kunnen onderscheiden wordt hij Jozef van Arimatea genoemd Marc.15:43 

Hij had dicht bij de stad Jeruzalem een groot stuk grond gekocht  en daar  een zeer royaal  nieuw rotsgraf voor zijn familie laten aanleggen. Hij had zijn werk wel in Jeruzalem, maar hij wóónde in Arimatea, waarschijnlijk een stad even ten oosten van Jaffa gelegen.

 Je ziet  hier duidelijk de grote richel waarlangs heen de ronde zware sluitsteen werd gerold:

Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen ?Marc. 16:3

Wie was die Jozef?

Lucas vermeldt nog dat Arimatea een stad der Joden was. De stad draagt weliswaar een Griekse naam en de Griekssprekende Teofilus tot wie Lucas zich richt zou misschien kunnen denken dat Arimatea een Griekse kolonie was.

 Daarom voegt Lucas nog even deze aantekening toe aan zijn geschiedschrijving: een stad der  Joden.

Welnu, deze Jozef was lid was van het Sanhedrin, de Joodse Hoge Raad. Hij was ook een vermogend man. Hij was een discipel van Jezus geworden , net als Nicodemus.

Deze Jozef had de moed om naar Pontius Pilatus te gaan en het lichaam van Jezus te vragen.

Hij behoorde  waarschijnlijk tot het college van gedelegeerden (in het Grieks dekaproten, de tien voornaamsten.

Dit college was  door het Sanhedrin  gekozen om een vorm van contact te scheppen  tussen de stadhouder (de prefect heeft de NBV terecht) en de Raad. Marcus noemt deze Jozef van Arimatea wellicht daarom ook niet alleen een raadsheer, maar een aanzienlijk raadsheer. We mogen aannemen dat hij als lid van het college van gedelegeerden vrije toegang had tot het paleis van de stadhouder.

De Joden die niet zo aanzienlijk en rijk waren als deze Jozef, gaven er vaak de voorkeur aan begraven te worden in het dal van Josafat, in het Kedrondal. Daar zou de grote dag der opstanding plaatsvinden dachten ze.

Graven in het Kedrondal. Joden en moslims liggen hier gebroederlijk bij elkaar

Het Sanhedrin wordt in de bijbel meestal aangeduid  met de term  'de  Raad ' of 'de grote Raad'.  Hij bestond uit 70 leden onder leiding van de Hogepriester als voorzitter.

Nu weten we dat Jozef van Arimatea en Nicodemus beiden wel leden waren van de Joodse Grote Raad, maar toch  niet aanwezig  waren bij het nachtelijk proces tegen Jezus dat geleid werd door voorzitter Kajafas. 

 De hogepriester zal die leden van de Raad, die verdacht werden van sympathie met Jezus zeker niet uitgenodigd hebben.

Beiden raadslid

En Nicodemus en Jozef  waren  zeker verdacht als sympathisanten van Jezus.  Jozef had  in ieder geval geen instemming betuigd  met het besluit van de Joodse Raad om Jezus te doden. Luc 23 :51

Ze waren dus niet in staat om het voor Jezus op te nemen in deze nachtelijke, onverwachte zitting van het Sanhedrin.

Jozef van Arimatea had een eigen royale graftuin met een graf dat in de zachte kalksteenrotsen was uitgehouwen. Het was nog nieuw.  Het was deze Jozef  die samen met zijn collega Nicodémus Joh 19,39 het dode lichaam van Jezus van het kruis heeft afgenomen. 

Grafruimte

Hij wikkelde het vervolgens in een grote lap linnen, betrad de royale grafruimte en legde het lichaam van Jezus heel voorzichtig op de stenenbank van de boogvormige nis die in de rotswand  recht tegenover de ingang was uitgehouwen. Die bank had aan één oplopend einde dat bedoeld was als hoofdkussen.

Collega Nicodémus kwam achter hem aan.  Hij had een grote hoeveelheid myrrhe en aloé meegenomen naar het graf. We lezen van 100 pond, maar naar onze berekening is dit ongeveer 15 kilogram geweest.  

 Beide zalven hadden een bederfwerende werking. Samen met Jozef heeft Nicodémus het lichaam van Jezus toen gezalfd.

De grafruimte bevond zich in een  soort hof  of  tuin.  Bij die graftuin moeten we echter niet denken aan een akker of kruidentuin waar  regelmatig geschoffeld  en gesnoeid moest worden.

 Dat denken we  omdat in de evangeliën gesproken wordt van een hovenier of een tuinman als Maria van Magdala in de graftuin op de dag van Jezus' opstanding plotseling iemand achter haar ziet staan. Dat was beslist  de tuinman niet 

De plaats waar Jezus is begraven was  dan ook geen groetentuin of kruidentuin, maar een boomgaard.

Geen tuinman, maar nachtwaker

Waarschijnlijk stonden er olijfbomen. Een hovenier of een tuinman had hier niets te doen of te zoeken. Vooral niet midden in de nacht. Het Griekse woord dat in Joh.  20:15  ten onrechte vertaald is met hovenier moeten we  vertalen met nachtwaker. Als Jezus na zijn opstanding tot Maria zegt " Waarom ween je?.  Wie zoek je?  is zij van mening  dat het de nachtwaker is die haar aanspreekt.

Ik vermoed dat Maria tijdens de begrafenis gehoord heeft van Jozef dat het graf niet zonder toezicht zou blijven.

Marcus vertelt met nadruk dat Maria  van Magdala en Maria de  moeder van Joses  zagen waar Jozef het lichaam van Jezus neerlegde.

Jozef zal ook tot de vrouwen gezegd hebben: Wees maar niet bang dat er iets ergs gebeurd met het lichaam van de Heiland, ik zal het graf  goed laten bewaken door de mannen van mijn nachtveiligheidsdienst.

Maria Magdalena

Daarom  was Maria van Magdala op de opstandingsmorgen  ervan overtuigd  dat de vreemdeling die ze zo plotseling  zag de nachtwaker was. Joh.20:15

 Op de dag van Jezus opstanding was ze met andere vrouwen zeer vroeg opgestaan, had  ze specerijen gekocht om het dode lichaam van Jezus te zalven. 

De vrouwen  hadden wellicht gehoopt dat ze de nachtwaker nog zouden aantreffen om de loodzware, ronde sluitsteen van de ingang  van de grafruimte weg te wentelen.

Maar de vraag was of hij nog aanwezig was, want het was al licht geworden.  Als de man al vertrokken was zouden ze een groot probleem hebben.  

 Zo kunnen we ook begrijpen dat ze zich bezorgd afvroegen: Wie zal voor ons de ronde steen voor de ingang van het graf wegrollen  (Marc.16: 3)?

Het graf lag volgens het vierde evangelie vlakbij de plaats waar Jezus gekruisigd werd Joh 19:42. 

 Zo dichtbij, dat de kerk, die keizer Constantijn later liet bouwen: 'de kerk van het heilige graf', zowel de plaats, waar volgens de traditie Golgota   lag, als het graf in Jozefs hof, in één grote ruimte kon omvatten.

Tenslotte nog iets anders: In Joh.20:5 zijn de"linnen doeken" een langwerpige lap stof, de zogenaamde lijkwade. En in  Joh.  20:7 lezen we in  de vertaling van het NBG  over een 'zweetdoek die om het hoofd van Jezus geknoopt was'.

 De vertalers hebben niet goed geweten wat ze hiermee aan moesten. Het was geen zweetdoek, maar een hoofddoek en die hoofddoek bevond zich niet op Jezus' hoofd was, maar was om zijn hoofd was geknoopt.

De NBV heeft dan ook terecht vertaald met 'de doek die Jezus gezicht bedekte'  Dit was gedaan om de vliegen uit zijn mond te weren

Die hoofddoek moest ontknoopt worden, toen opgerold en tenslotte op andere plek gelegd. Dat kon niemand anders gedaan hebben dan de Meester zelf.

Dat kon alleen als degene om wiens hoofd de doek geknoopt was, was opgestaan!!

Dat was voor 'de andere discipel' (=Johannes) het overtuigend bewijs dat Jezus was opgestaan. (Joh.  20